De dierenwereld: wie eet wat!

De dierenwereld: wie eet wat!

We houden van vogels om hun mooi geluid, hun verenkleed, maar misschien nog het meest om hun vermogen om te vliegen. Vrijheid lijkt het om in de lucht onbeperkt te kunnen bewegen. Dit is iets wat de mens altijd heeft geïntrigeerd.

Maar vogels betekenen in een natuurlijke tuin veel meer dan dat. Het zijn immers nuttige medewerkers in de tuin. De vogels worden opgedeeld o.a. in zaadeters en insecteneters. De insecteneters zien we graag komen maar ook de zaadeters zijn belangrijk. Zij voeden hun jongen in de eerste  dagen met insecten en rupsen. Zelf zullen ze af en toe ook insecten eten omwille van de nodige eiwitten. Insecten zijn immers rijk aan eiwitten. De jongen hebben er een grote behoefte aan voor de vorming van organen en spieren en vooral voor de opbouw van het verenkleed.

In de loop van vele, voorbije jaren heb ik regelmatig gegevens verzameld van wie wat eet. Hieruit put ik nu om een en ander door te geven. Het is zeker niet volledig maar geeft wel enig beeld.

Huismus

De huismus is een zaadeter maar voert haar  jongen in de eerste dagen met bladluizen, rupsen, kevers en sprinkhanen. Vinken zijn eveneens zaadeters maar hun jongen eten vooral rupsen en kleine insecten. Vinken eten ook knoppen, toppen en bloemen.
Ook de Turkse tortel, de ringmus en de houtduif eten vooral zaden en granen.
De houtduif eet in de lente vooral knoppen en kiemplanten, zoals ontkiemende erwtjes, jonge kooltoppen. Later wordt overgeschakeld op oogstresten zoals korrelmaïs en granen, klaverzaadjes, zaden van wilde planten, gevallen bessen, eikels en beukennootjes, terwijl in de winter ook bessen van klimop en plantenwortels op het menu staan. In stedelijke gebieden eet ze ook rondslingerende etensresten. Zelf is ze gegeerd als voedsel door roofvogels zoals sperwer, buizerd, havik.

Turkse Tortel

De Turkse tortel eet voornamelijk granen en zaden maar af en toe ook bladeren, vruchten en torretjes. Soms ook rupsjes, slakken en andere kleine diertjes.

Insecteneters eten vooral insecten maar in perioden dat er minder aanbod is, eten ze ook vaak bessen, kersen, gevallen fruit.

Mezen

Mezen eten spinnen en insecten maar de koolmees eet in de lente ook knoppen. Pimpelmezen eten naast spinnen– en vlindereieren ook bladluizen en rupsen en wellicht nog veel meer soorten. Eén koppel pimpelmezen brengt per dag zo’n 700 rupsen naar het nest voor de jongen.  Een grotere kampioen is de huiszwaluw die muggen, vliegen, bladluizen, vlinders en eendagsvliegen eet. Ze kunnen tot 3500 insecten per uur per koppel aan.

Grauwe vliegenvanger

De grauwe vliegenvanger vangt gemiddeld om de 18 seconden een insect, meestal in de vlucht. Hij jaagt op vlinders, spinnen, muggen, eendagsvliegen, sluipwespen, libellen. Als het regent hangt hij als een kolibri in de lucht om te insecten van de onderkant van de bladeren af te pikken. Hij eet ook soms mieren, slakken, sprinkhanen. Op het einde van de zomer eet hij ook vruchten van kornoelje, vlier en vogelkers.

Roodborstje

Roodborstjes eten rupsen, vliegen, insectenlarven en spinnen. In de herfst en de winter behoren wilde bessen tot hun voedselpakket.

Voor elke vogel is er een habitat

De fitis eet allerlei insecten, insectenlarven, poppen, kleine spinnen die hij van de bladeren pikt. Hij vangt ook vliegende insecten en spinnen in hun web.

De tsiftsaf voedt zich met spinnen, insecten, larven, bessen, nectar en stuifmeel.

De heggenmus leeft vooral in het struikgewas en zoekt daar naar mieren, kevertjes, spinnen, hooiwagens, wormen en slakjes. Ook zaden van planten pikt ze van de grond.

De merel, aanwezig in zowat elke tuin, heeft als basisdieet regenwormen, kevers en mieren die hij zoekt op en in de grond. Hij woelt onder dode bladeren op zoek  naar spinnen. Zijn territorium bedraagt zo’n 0,2 ha. Hij eet ook slakjes, insectenlarven, vruchten en afgevallen fruit.

De zanglijster zoekt haar voedsel in en op de grond: huisjesslakken waarvan ze het huisje op een steen kapotslaat. Ze eet ook regenwormen, en in de herfst bessen en vruchten.

De spreeuw zoekt in de grond naar wormen, emelten en insectenlarven.

De koekoek die vaak grootgebracht wordt in een mezennest houdt vooral van harige, grote rupsen, maar hij eet ook insecten, spinnen, duizendpoten en regenwormen.

Het winterkoninkje dat vooral in lage vegetatie huist, zoekt daar spinnen en insecten.

De specht hakt insecten uit het hout, terwijl de boomkruiper oppervlakkige spleten in de schors onderzoekt op insecten of schilfers afbreekt om de insecten te vinden.

Nogal wat mensen houden niet van de ekster omdat ze eieren en jonge vogeltjes eet. Dat maakt echter slechts een beperkt percentage uit van haar menu, zo’n 17% , voor de rest eet ze insecten, vruchten, zaden, kleine zoogdieren, soms kikkers en slakken. Het is eigenlijk een alleseter.

Luizen

Luizen zijn  er in vele kleuren en ze zijn vaak in grote aantallen aanwezig in de tuin. Maar ze hebben ook veel vijanden. Luizen worden immers gegeten door lieveheersbeestjes, oorwormen, zweefvliegen, gaasvliegen, sluipwespen, vogels en spinnen. Iedereen herkent een lieveheersbeestje maar slechts weinigen weten hoe hun larven eruit zien. Het zijn nochtans de larven die massa’s luizen eten.

De larve doorloopt 4 stadia voor ze transformeert tot het gekende rood met zwarte stippen. En niet alle lieveheersbeestjes zien eruit zoals het sympathieke figuurtje dat overal opduikt. De larve lijkt in de verste verte niet op het volwassen imago maar het is een grijsblauwe of blauwgroene, langwerpige larve met een tekening van gele vlekken. Bovendien verplaatst ze zich zoals een rups. Deze larve voedt zich uitsluitend met  bladluizen. Voor haar ontwikkeling moet ze zo’n 600 prooidieren verslinden. Niet alle bladluizen kan ze eten, het gif van de vlierbladluis is bijvoorbeeld dodelijk voor de larve.

Ook de larven van de gaasvlieg voeden zich uitsluitend met bladluizen. Het vrouwtje zet daarom haar eitjes af op een bladstengel dichtbij een luizenkolonie.

De boomsprinkhaan voedt zich uitsluitend met insecten zoals rupsen en bladluizen. Ze is vooral ’s nachts actief en verbergt zich overdag onder eikenbladeren. Toch komt ze ook vaak voor in tuinen.

Een aantal soorten loopkevers kruipen het gewas in om zich daar te voeden met bladluizen. Voor hen en de overige loopkevers zijn gewoon duizendblad en kamille een aantrekkelijke, ondergrondse overwinteringsplaats.

Een aantal soorten zweefvliegen zijn echte luizenverdelgers maar het zijn weer de larven die het echte werk doen.

Andere vijanden van de luizen zijn de bladsluipwespen. Het zijn kleine wespen met een lichaamslengte van zo’n  2-3 mm. De wespen voeden zich met de honingdauw van de luizen maar tegelijk zijn de luizen ook gastheer voor de larven van de wesp. Het vrouwtje zet haar eitjes af in het luizenlichaam en de larve eet de luis van binnenuit leeg.

Deze opsomming is zeker niet volledig maar het geeft wel een beeld van de vele rovers die het op de bladluizen  gemunt hebben. Maar de bladluizen hebben er iets op gevonden: ze planten zich zo snel en effectief voort dat er altijd bladluizen zullen overblijven. ‘s Zomers planten ze zich heel snel voort omdat ze dan het eistadium overslaan en ineens levende bladluizen baren. Ze kunnen 15 tot 20 generaties per jaar voortbrengen.

 

Ik heb heel wat informatie gehaald uit: ‘Insecten herkennen en benoemen’ van Heiko Bellmann, vertaald uit het Duits in 2003, uitgegeven bij thb, ISBN 90 443 0689 8

 

 

 

Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *